Hoe gaat Nederland verder gelet op de jaarlijkse import van honderdduizenden kalfjes voor het hier produceren van (blank) kalfsvlees? Vlees voor export. En de impact op ons milieu van mest (stikstof) van de importkalveren?  Een Dialoog in 2021:

Jaar van het importKALF

Informatie over de kalverhouderij

In vogelvlucht

Nederland is de grootste kalfsvleesproducent van Europa. Jaarlijks worden er in ons land 1,5 miljoen kalveren gemest en geslacht. Zo’n 850.000 kalveren worden daarvoor jaarlijks geïmporteerd en de overige zijn afkomstig van Nederlandse melkveebedrijven, de zogeheten ‘uitstoot kalveren’: kalveren die in de melkveehouderij worden geboren en niet worden aangehouden als nieuwe aanwas, worden verkocht als vleeskalf. De kalveren blijven tenminste 14 dagen (meestal in individuele hokken) op het geboortebedrijf en worden verzameld door een tussenpersoon en vervolgens met leeftijdgenoten op vleeskalverbedrijven geplaatst.



De Nederlandse vleeskalversector is vrij sterk geïntegreerd en omvat ongeveer 950.000 dierplaatsen waarvan 600.000 plaatsen voor blankvleesproductie ingezet worden, en 350.000 voor rosé. Het aantal blankvleesplaatsen is vrij stabiel. Binnen het rosésegment is er een dalende trend voor oud rosé (inmiddels minder dan 10% van het totaal aantal Nederlandse plaatsen). 
De schaalgrootte van de bedrijven is iets toegenomen. In 2011 waren er 1929 bedrijven, gemiddeld 469 kalveren per bedrijf. In 2018 waren dit 1567 bedrijven met een gemiddelde van 608 kalveren per bedrijf. Het gemiddelde blankvleeskalverenbedrijf is ruim twee keer zo groot als het gemiddelde rosékalverenbedrijf, waarbij de schaalvergrotingstrend in het rosésegment wat groter is dan in de blankvleessegment.

Importcijfers kalveren
In 2019 werden er 861.000 kalveren geïmporteerd (Bron RVO). Ongeveer driekwart daarvan komt uit Duitsland, uit Ierland werden zo’n 80.000 kalfjes gehaald, België 60.000, Baltische Staten 58.000, vanuit Denemarken werden 30.000 kalveren geïmporteerd en uit Tsjechië en overige landen 30.000.



Export kalfsvlees
De totale kalfsvleesproductie (karkasgewicht) bedroeg in 2019 zo’n 230 miljoen kg waarvan bijna 200 miljoen kg blank kalfsvlees (86%).(Bron CLM)
De consumptie van kalfsvlees (3% van het totaal volume kalfsvlees per jaar) is in Nederland met 1,5 kg per hoofd per jaar van de bevolking beperkt. Kalfsvlees wordt gezien als een duur nicheproduct. 
93% van het kalfsvlees is bedoeld voor export, bijvoorbeeld naar:
Italië: 23%; Duitsland: 23%; Frankrijk: 15%
Overig in EU: 22% en Buiten EU (o.a. China): 10%
De Nederlandse kalversector is met een aandeel van 31% de grootste producent van kalfsvlees in Europa, gevolgd door Frankrijk (26%). Met Italië en België erbij zijn de vier landen verantwoordelijk voor 81% van de totale productie.

Economische betekenis en inkomen
De werkgelegenheid in de vleeskalversector bedraagt circa 2.300 arbeidsplaatsen in de primaire sector en voor het totale kalvercomplex circa 8.000 fte’s. De toegevoegde waarde is 1,3 miljard euro. De meeste bedrijven met blankvleeskalveren werken met contractvergoedingen binnen een zogenaamde integratie, waarbij een aantal opeenvolgende schakels in de keten tot hetzelfde bedrijf behoren. De integratie is dan contractgever, eigenaar van het kalf en levert ook het voer. 
Rosékalveren worden meestal voor eigen risico van de boer gehouden. De kalverhouders met contract hebben over de jaren een redelijk stabiel inkomen van gemiddeld circa 40.000 euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid. Voor rosé-kalverbedrijven zijn geen gegevens beschikbaar in het Bedrijveninformatienet. (Bron Rabobank)




Houderij en voeding
In de Nederlandse kalversector worden zowel blankvleeskalveren als rosékalveren gehouden. Blankvleeskalveren (tot een leeftijd van ruim 25 weken) hebben een levend eindgewicht van 225 kg; jonge rosékalveren (tot een leeftijd van ruim 30 weken) een levend eindgewicht van 300 kg, oude rosékalveren (tot een leeftijd van 40 weken) een levend eindgewicht van 360 kg.

In het Besluit houders van dieren zijn regels gegeven voor de huisvesting van kalveren. Tot 8 weken leeftijd mogen kalveren om gezondheidsredenen individueel gehouden worden (ze kunnen elkaar wel zien en aanraken), daarna is groepshuisvesting verplicht. Elk kalf heeft een minimale vloeroppervlakte van 1,5 m2 per kalf van minder dan 150 kilogram, 1,7 m2 per kalf van 150 kilogram tot 220 kilogram en 1,8 m2 per kalf van 220 kilogram of meer. De kalveren worden in groepen van 8-75 dieren gehouden. Blankvleeskalveren krijgen in belangrijke mate melkpoeder en overeenkomstig de wettelijke norm minimaal 50 tot 250 gram vezelhoudend voer per dag.
Zij krijgen beperkt ijzer in het rantsoen, waardoor bloedarmoede een belangrijk aandachtspunt blijft. Het MVO-verslag van de Van Drie Group noemt 275 kg muesli (vezelhoudend krachtvoer) en 30 kg gehakseld stro per kalf, wat neerkomt op 1,7 kg per kalf per dag. Rosékalveren krijgen meer vezelhoudend voer.

 

Milieu en biodiversiteit 
N- en P-excreties De excretie vanuit de vleeskalverenhouderij was 23,3 mln. kg N en 8,1 mln. kg P in 2019. Dit is 5% van de N- en P-excreties in de Nederlandse landbouw. De vleeskalverenhouderij heeft invloed op de Nederlandse natuur door de emissie van ammoniak. Een groot deel van de sector is gevestigd in Gelderland op en rond de Veluwe, een regio met veel stikstofgevoelige natuur. De kalversector verwerkt daarnaast aanzienlijke hoeveelheden soja in de (kunst)melk (Van der Peet e.a., 2018). Dat heeft invloed op het landgebruik in met name Noord- en Zuid-Amerika en kan daarmee ten koste gaan van de biodiversiteit in deze landen. (Bron CLM).

De totale productie van kalvermest in Nederland bedraagt circa 3,2 miljoen ton, waarvan de ammoniakemissie van vleeskalverbedrijven volgens het CBS 3,3 miljoen kilo per jaar is.
(https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83983NED/table?dl=26D0C )



Antibiotica
De Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa), dat zich richt op het terugdringen van antibioticagebruik in de veehouderij, ziet risico's in de import van kalveren. Antibiotica wordt in de kalverhouderij "relatief veel gebruikt", stelt Dick Heederik van SDa. Volgens hem is de kalverhouderij de enige veehouderij waar het aantal resistente ESBL-bacteriën toeneemt. 
Minister Schouten stelde in juli 2020:  ‘Antibioticumgebruik kalverhouderij nog hoog’


Aandachtspunten diergezondheid en dierenwelzijn
·        Het transport van jonge kalveren over lange afstanden.

·        Diergezondheidsproblemen en een relatief hoog antibioticagebruik, vanwege het bij elkaar brengen van jonge dieren van veel verschillende diergezondheidsstatussen. 

·        Vleeskalveren worden doorgaans gehouden op roostervloeren, vanwege de afvoer van de mest (kalvergier), en komen niet buiten. Stimulering van diervriendelijker, zachtere vloeren vindt sinds 2018 via een subsidieregeling plaats. 

·        Blankvleeskalveren krijgen beperkt ijzer in het rantsoen, waardoor bloedarmoede een belangrijk aandachtspunt blijft. Er zijn geen data beschikbaar over Hb-gehaltes van individuele vleeskalveren aan het eind van de productieperiode. De sector streeft naar een gemiddeld Hb vlak voor de slacht tussen 5,5. en 5,8 mmol/L. 

·        Het voer van blanke en rosé kalveren is relatief rijk aan energie (voor snelle groei) en geeft daardoor risico op stofwisselingsstoornissen bij de kalveren. 

·        BVD is een besmettelijk virusziekte bij runderen die niet schadelijk is voor mensen. Van de melkveebedrijven die vallen onder de ketenorganisatie ZuivelNL (ruim 16,5 duizend) is bijna 98% begonnen met een BVD-aanpak, wat later ook doorwerkt naar de kalversector. BVD heeft in Europese wetgeving nog niet dezelfde status als IBR waardoor er voor deze ziekte geen wettelijk verplichte aanpak komt in Nederland. Dit zou in de toekomst kunnen veranderen. In maart is in Europa gesproken over het gelijktrekken van de status van IBR en BVD binnen de EU in het kader van de nieuwe Animal Health Regulation (Bron De Kalverhouder, april 2018).